TERREINREGLEMENT
MVC “OTTO LILIENTHAL” Soesterberg
(revisie november 2002)
De club beschikt in principe over één vliegveld. Dit terrein is gelegen aan xxxxxxxxxxxxxxxxxxx te Soest. Het is op de overzichtskaart aangegeven met A1 resp. A2. Het terrein is eigendom van xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Soest, tel. 1234567890.
In overleg met de vertegenwoordiger van de stichting “Weidevogelbescherming Eemland IVN” en de terreineigenaar is een uitwijklocatie overeen gekomen. Deze is op de overzichtskaart aangeduid met ‘B’. De uitwijklocatie wordt gebruikt gedurende het broedseizoen, en wordt in overleg met genoemde personen afgesproken. Globaal valt deze periode begin maart t/m mei.
Ook deze uitwijklocatie is eigendom van xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx.
In het clubblad wordt elk jaar opnieuw de ‘sluiting’ van locatie-A aangekondigd.
Als locatie-A niet bruikbaar is (b.v. te drassig), kan locatie-B gedurende het gehele jaar als uitwijklocatie worden gebruikt.
Er mag slechts worden gevlogen tijdens de zgn. uniforme daglichtperiode (dit is vanaf een half uur voor zonsopgang tot een halfuur na zonsondergang).
Het modelvliegen mag geen hinder of gevaar voor de omgeving veroorzaken.
Het model moet zo degelijk zijn geconstrueerd dat er tijdens de normale vlucht geen defect kan ontstaan die een crash tot gevolg heeft resp. kan hebben.
Een modelvliegtuig moet zijn voorzien van de naam- en adresgegevens van de eigenaar van het toestel.
Een modelvliegtuig mag niet hoger vliegen dan 300 meter boven de grond of het water.
Er mag op beide locaties alleen door leden van MVC “OTTO LILIENTHAL” worden gevlogen. Het is verplicht een geldige lidmaatschapskaart bij zich te hebben.
Er mag alleen door gebrevetteerde leden zelfstandig gevlogen worden. Niet gebrevetteerde leden moeten een persoonlijke begeleider hebben.
Iedere piloot moet verzekerd zijn tegen ‘wettelijke aansprakelijkheid’ met dekking van modelvliegtuigen tot 20 Kg. Eventueel veroorzaakte schade moet aan de baancommissaris en het clubbestuur worden gemeld.
Introducés zijn toegestaan tot een maximum van 3 per keer. E.e.a. ter beoordeling van de baancommissaris. Introducés moeten bij de baancommissaris worden aangemeld. Een groter aantal dan 3 introducés moet vooraf worden aangekondigd bij het bestuur.
Toeschouwers kunnen in overleg met de baancommissaris worden toegelaten. Zij dienen achter de lier te blijven, in de buurt van (achter) de piloten en niet bij de niet vliegende modellen. De baancommissaris kan een alternatieve plaats aanwijzen.
Auto’s en (brom)fietsen worden in de berm, in de nabijheid van de terreintoegang (‘I’ op het overzichtkaartje) geparkeerd. Dit moet gebeuren volgens de normale verkeersregels, dus zodanig dat het andere verkeer daar geen hinder van ondervindt.
Er is altijd een baancommissaris aanwezig. De eerste op het vliegveld aanwezige gebrevetteerde piloot is die dag de baancommissaris, tenzij hij/zij een andere vrijwilliger vindt.
De baancommissaris is verantwoordelijk voor de bewaking van de veiligheid op en rond het vliegveld t.a.v. van het modelvliegen.
De baancommissaris belegt aan het begin van de ‘vliegdag’ een briefing. Tijdens deze briefing worden afspraken gemaakt over start- en landingscircuit, en overige zaken.
De baancommissaris kan (voor de betreffende dag) piloten of modellen een vliegverbod opleggen, en piloten en/of toeschouwers de toegang tot het terrein ontzeggen. Als een van genoemde maatregelen wordt genomen, moet de baancommissaris dit altijd aan het clubbestuur melden. Het bestuur kan verdere maatregelen nemen. Dit laatste kan schorsing en zelfs royement betreffen.
De baancommissaris beslist als de piloten het onderling niet eens kunnen worden over de briefing, of andere kwesties aangaande de veiligheid, opstelling en vlieggedrag.
De lierlocatie is leidend voor de gehele opstelling op het vliegveld. Ook als er in 1e instantie alleen elektrovliegers aanwezig zijn, en op een later tijdstip de lier arriveert, moeten de elektrovliegers zich hieraan conformeren en desnoods verkassen.
Voor zover windrichting en locatie het toelaten wordt altijd tegen de wind in gestart en geland. Dit is leidend voor de opstelling van de lier.
Niet-vliegende modellen worden links, dan wel rechts achter de lier (gezien vanuit startrichting) geplaatst. Als het meest voor de hand liggende landingscircuit links langs de lier ligt, worden de modellen rechts geplaatst en bij een rechter landingscircuit links achter de lier.
Vliegende piloten blijven in de onmiddellijke nabijheid van de lier, en blijven uit de start- en landingsgebieden. Dus aan dezelfde zijde als niet-vliegende modellen.
Er mag uitsluitend van (HDTP) goedgekeurde zenders gebruik worden gemaakt.
Er mag uitsluitend van de (HDTP) goedgekeurde zendfrequenties gebruik worden gemaakt (zie voor een overzicht van de frequenties hoofdstuk 10).
Het gebruik van het frequentiebord is verplicht. De knijper met de kanaalaanduiding dient aan de zenderantenne bevestigd te worden.
Als het frequentiebord om enige reden niet aanwezig is, dient de piloot zich ervan te overtuigen dat de frequentie die hij wil gaan gebruiken vrij is alvorens hij zijn zender aanzet.
De zender dient uit te zijn EN de antenne ingeschoven als niet wordt gevlogen, of een vlucht wordt voorbereid.
Als 2 of meer piloten van hetzelfde frequentiekanaal gebruik maken, moet na beëindiging van de vlucht de knijper op het frequentiebord teruggeplaatst te worden.
In zo’n geval moet de vliegtijd evenredig verdeeld worden over de piloten van de gedeelde frequentie. Eventueel beslist de baancommissaris hierin.
De modelvliegtuigen dienen luchtwaardig te zijn. Dit houdt in dat het toestel normale vliegomstandigheden moet kunnen doorstaan. Onder normale vliegomstandigheden worden al die manoeuvres verstaan waarvoor het toestel bedoeld is. Zie ook het laatste hoofdstuk “ENKELE SLOTOPMERKINGEN” waarin enkele tips en andere verduidelijkende opmerkingen worden gemaakt.
Elk vliegend modelvliegtuig dient voorzien te zijn van de volledige naam en adresgegevens van de eigenaar.
Bij elk nieuw vliegtuig dient een reikwijdtetest met ingeschoven zenderantenne te worden uitgevoerd. Als het hierbij een elektromodel betreft dient deze test met half- en vol-gas te worden uitgevoerd. De storingsvrije werking van het model dient voldoende te zijn. Zie ook het laatste hoofdstuk “ENKELE SLOTOPMERKINGEN”.
Tijdens het vliegen dient de veiligheid voorop te staan. Er mag geen enkele manoeuvre worden uitgevoerd waardoor de veiligheid ook maar enigszins in het geding komt. Factoren die hierbij van invloed (kunnen) zijn zijn: weers- en terreinomstandigheden, vaardigheid piloot, aantal toestellen in de lucht, aanwezigheid van publiek en hoeveelheid piloten.
Onder geen enkele omstandigheid mag onder de 50 meter hoogte (2 à 3 maal boomhoogte) boven piloten of publiek worden gevlogen.
De spoorbaan moet worden gemeden, erboven mag onder geen enkele omstandigheid lager dan 75 m gevlogen worden.
Manoeuvres met hoge snelheid mogen nooit (ongeacht de hoogte) boven of in de richting van piloten, publiek, bebouwing e.d. worden uitgevoerd.
Bemande luchtvaart heeft onder ALLE omstandigheden voorrang. Zelfs als daarvoor het eigen model opgeofferd moet worden. Indien er andere bemande luchtvoertuigen (zwevers, motorvliegtuigen, ballonnen, zeppelins, etc.) in de nabijheid zijn, dienen de modelvliegtuigen altijd uit de weg te gaan, desnoods te landen.
OPGELET: de kanalen 70 (35.100), 75 (35.150) en 80 (35.200) zijn in Nederland NIET TOEGESTAAN !
27 MHz-band
30 MHz-band
35 MHz-band (modelvliegers)
40 MHz-band
26,995 MHz (kan.4)
30,085 MHz (kan.38)
35,000 MHz (kan.260)
40,665 MHz (kan.50)
27,045 MHz (kan.9)
30,095 MHz (kan.39)
35,010 MHz (kan.61)
40,675 MHz (kan.51)
27,095 MHz (kan.14)
30,105 MHz (kan.40)
35,020 MHz (kan.62)
40,685 MHz (kan.52)
27,145 MHz (kan.19)
30,115 MHz (kan.41)
35,030 MHz (kan.63)
40,695 MHz (kan.53)
27,195 MHz (kan.24)
30,185 MHz (kan.48)
35,040 MHz (kan.64)
40,715 MHz (kan.54)
27,225 MHz (kan.30)
30,195 MHz (kan.49)
35,050 MHz (kan.65)
40,725 MHz (kan.55)
35,060 MHz (kan.66)
40,735 MHz (kan.56)
35,070 MHz (kan.67)
40,765 MHz (kan.57)
35,080 MHz (kan.68)
40,775 MHz (kan.58)
35,090 MHz (kan.69)
40,785 MHz (kan.59)
35,100 MHz (kan.70)
40,815 MHz (kan.81)
35,110 MHz (kan.71)
40,825 MHz (kan.82)
35,120 MHz (kan.72)
40,835 MHz (kan.83)
35,130 MHz (kan.73)
40,865 MHz (kan.84)
35,140 MHz (kan.74)
40,875 MHz (kan.85)
35,150 MHz (kan.75)
40,885 MHz (kan.86)
35,160 MHz (kan.76)
40,915 MHz (kan.87)
35,170 MHz (kan.77)
40,925 MHz (kan.88)
35,180 MHz (kan.78)
40,935 MHz (kan.89)
35,190 MHz (kan.79)
40,965 MHz (kan.90)
35,200 MHz (kan.80)
40,975 MHz (kan.91)
35,210 MHz (kan.281)
40,985 MHz (kan.92)
35,220 MHz (kan.282)
Op diverse plaatsen in het reglement wordt m.b.t. veiligheid “de omgeving” genoemd. Realiseer je dat met omgeving alles wordt bedoeld: mensen, dieren, bebouwing, landbouwgewassen. Geef extra aandacht aan de spoorlijn.
Wat is een voldoende sterk vliegtuig? Wanneer is het luchtwaardig, en wanneer niet?
Op de site van de KNVvL vind je een prachtige lijst met keuringscriteria voor div. typen modelvliegtuigen. Zweefkisten zijn in mijn ogen weer een beetje vergeten. Maar met een beetje gezond verstand kom je een heel eind. Een luchtwaardige kist moet uiteraard niet na de eerste de beste iets hardere landing uit elkaar vallen, en een normaal gevlogen looping moet hij ook kunnen doorstaan (na een onverwachte overtrek weer rechttrekken is een vergelijkbare belasting, en niet uit te sluiten). Uiteraard is het niet de bedoeling kisten te verbieden die niet in staat zijn tot, of absoluut niet bedoeld zijn voor, een looping. Denk aan een ballon, een ultralichte! park-/indoor-flyer, of een elektro-heli.
Je zou kunnen overwegen elke nieuwe of flink gerepareerde kist te laten keuren. Dat lijkt een beetje omslachtig. Niet in het minst omdat als de kist eenmaal af is veelal niet meer te beoordelen valt (niet meer zichtbaar) of e.e.a. wel afdoende gedimensioneerd is, goed genoeg gebouwd is. Praten en overleggen met anderen voorkomt inschattings- en constructiefouten, laat je bouwwerk eens zien halverwege, neem het mee naar de club.
De reikwijdtetest is verschillend voor de verschillende merken zenders. Multiplex komt met ingeschoven antenne een stuk minder ver dan Futaba/Robbe. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de antenne-segmenten van Multiplex relatief veel kleiner zijn dan die van Futaba/Robbe. In de praktijk moet je met Futaba/Robbe minstens 60 m weg kunnen voordat storing begint, bij Multiplex is dat ± 30 meter.
Voor elektro-kisten geldt dat met motor aan. Probeer ook eens half-gas, dat is veel kritischer.
Normaal wordt, voor de lier (links of rechts) geland. Piloten zullen nooit op zichzelf ‘richten’ met hun modelvliegtuig. Door dat gedrag worden de plaatsen ‘achter de lier’ en ‘vlak bij de piloten’ van nature de meest veilige plaatsen om zich op te houden. Daarom is het verstandig de piloten (evt. publiek dat zich op het vliegveld bevindt) en niet-vliegende modellen bij elkaar, achter de lier te houden. Start en landing vinden voor de lier plaats. Ook is het in de nabijheid van de piloten eenvoudiger om evt. toeschouwers in de gaten te houden.
Met betrekking tot de verzekering ‘Wettelijke aansprakelijkheid’ (WA) bestaan nogal wat misverstanden. Het is zeker niet zo dat de KNVvL-verzekering voldoende is. De KNVvL-verzekering is aanvullend. Dat wil zeggen de KNVvL-verzekering dekt een tekort of een gat in de dekking van een particuliere WA-verzekering (WAP). Het is nog maar de vraag of de KNVvL-verzekering het volledig ontbreken van een WAP, of een WAP met een uitsluiting van modelvliegtuigen, ‘aanvult’.
Kijk de polisvoorwaarden van je eigen WAP er op na, sommige verzekeringsmaatschappijen (de meeste niet) sluiten modelvliegtuigen uit.
Ten aanzien van punt 5 Opstelling nog een opmerking: een piloot moet dus niet gaan ‘wandelen’ over het veld. Vroeg of laat komen hier ongelukken van, en reken erop dat een evt. verzekeraar de aangevlogen persoon grove nalatigheid zal verwijten, en niet of veel minder uit zal keren.
Met betrekking tot punt 6 Radiobesturing nog een advies: maak geen gebruik van de (legale) 27 MHz. Kanalen. ‘Piraterij’ op de 27 MHz-band (zgn. bakkies) geven te veel kans op storing met alle risico’s t.a.v. veiligheid (en verlies van je eigen model).
Nog een slotopmerking over het vlieggedrag (punt 8). Haal geen grapjes uit in de geest van ‘een rondje om een bemande ballon heen’ o.i.d.. Ook niet als dit op grote (veilige) afstand gebeurt. Het gedrag van het modelvliegtuig moet duidelijkheid richting piloot van het bemande luchtvaartuig ‘uitstralen’. De ballonpiloot mag nooit ook maar de indruk krijgen dat een modelpiloot hem niet heeft opgemerkt of gevaarlijke manoeuvres t.a.v. hem uitvoert.
Bedenk ook tijdens vakanties in het buitenland dit soort veiligheidsaspecten (b.v. bij hellingvliegen). Houdt rekening met parapentes en deltavliegers. Vaak zal je met hen dezelfde helling delen. Een verstandige vluchtindeling doet vaak al wonderen. Spreek evt. iets af in de geest van zij rechts jij links. Aangezien onze modellen vaak een stuk beter presteren dan een parapente of delta (ja ook modellen als een ‘Riser’ e.d.,) is het vaak geen enkel probleem om flink boven ze te blijven. Soms kun je zelfs afspreken dat je voor hen de sterkste thermiek opzoekt. Vaak is die zo sterk dat je er zelf niet wilt blijven omdat die thermiek voor ons niet leuk meer is (constant met kleppen uit vliegen om niet uit het zicht te verdwijnen). Voor hen is dat vaak juist de plaats om weg te komen/voldoende hoogte voor een ‘overland’ te krijgen.